B-jaar (Marcusevangelie)
Het nieuwe liturgische jaar (B) begint op zondag 27 november met de 1e zondag van de advent. In vele kerken vormt op zon- en feestdagen het evangelie volgens Marcus uitgangspunt voor verkondiging en overweging; omdat dit evangelie het kortste is, zijn over het jaar verspreid ook passages uit andere evangeliën ingepast, vooral uit het Johannesevangelie. Het evangelie volgens Marcus wordt door Augustinus niet veel gebruikt: zo zijn er bijvoorbeeld maar drie sermones van hem bewaard over een passage uit dit evangelie. Passende fragmenten uit het werk van Augustinus ter overdenking van het zondagevangelie moeten dan ook bijeengesprokkeld worden. Dikwijls vormen parallelteksten of verwante passages uit andere evangeliën een impliciet startpunt. Toch hopen we met de uitgekozen fragmenten een inspirerend hulpmiddel te bieden bij het pastorale werk.
De fragmenten kunnen dienen bij persoonlijke bezinning, maar kunnen ook behulpzaam zijn als korte overweging bij doordeweekse vieringen, als opening of afsluiting bij kerkelijke vergaderingen, als korte gedachte in een kerkblad of orde van dienst op zondag. Zo kan het evangelie op zondag naklinken bij andere kerkelijke activiteiten doordeweeks. Het staat u vrij om de bijlage te gebruiken op uw eigen website op voorwaarde dat u de boekgegevens overneemt en/of verwijst naar www.augustinus.nl.
Voor meer informatie over onze boeken zie Publicaties-NL-vertalingen, voor citaten per thema zie het Webarchief, of Citaten en de serie Augustinus aan het woord.
Advent
27 november 2011 - 1e zondag advent bij Mc 13,33-37
uit Augustinus' sermo 18,1-2
Christus de Heer, onze God, de Zoon van God, is bij zijn eerste komst in verborgenheid gekomen. Maar bij zijn tweede komst zal Hij duidelijk zichtbaar komen. Toen Hij in verborgenheid kwam, hebben alleen zijn dienaren Hem waargenomen. Wanneer Hij duidelijk zichtbaar zal komen, zullen alle mensen Hem waarnemen, de goede en de slechte. Toen Hij in verborgenheid kwam, is Hij gekomen om te worden geoordeeld. Wanneer Hij duidelijk zichtbaar zal komen, zal Hij komen om zelf te oordelen. Welnu. Destijds, toen Hij werd geoordeeld, heeft Hij zich stil gehouden. Daarover had de profeet voorzegd: "ls een schaap dat naar de slachtbank is geleid, als een lam dat oog in oog met zijn scheerder stond, heeft Hij zijn mond niet opengedaan." (Js 53,7) Maar God zal duidelijk zichtbaar komen, onze God, en Hij zal zich niet stil houden (Ps 49 (50),3). Anders dan toen Hij nog moest worden geoordeeld, zal Hij zich niet stil houden wanneer Hij zelf zal oordelen. Ook nu houdt Hij zich niet stil, voor wie naar Hem luistert. (...)
Wat God heeft beloofd, wordt nu nog niet zichtbaar gemaakt. Waarmee Hij dreigt, is nu nog niet te zien. En daarom lachen ze om wat Hij gebiedt. Zowel goede als slechte mensen kennen voorspoed en tegenspoed. Mensen die geloven in wat er nu is, en niet in wat er later komt, stellen vast dat goede en slechte dingen van deze tijd willekeurig zowel goede als slechte mensen treffen. Als ze rijkdom wensen, zien ze dat zowel heel slechte als goede mensen rijkdom bezitten. Maar als ze de armoede en de ellende van deze tijd verafschuwen, zien ze ook dat niet alleen de goede mensen onder de ellende hier te lijden hebben, maar ook de slechte. En dan zeggen ze bij zichzelf dat God niet omkijkt naar de belangen van de mensen, en dat Hij zich daar niet mee bezighoudt, maar dat Hij ons, die in de verste regionen van deze wereld liggen, aan ons lot overlaat, en zich verder niet meer om ons bekommert. En zo komt het dat ze zich niets van zijn gebod aantrekken. Ze zien namelijk aan geen enkel duidelijk teken dat er ook maar zoiets als een oordeel bestaat.
Toch moet je ook nu beseffen dat God naar je omkijkt en over je oordeelt wanneer Hij dat wil, en dat Hij zijn oordeel niet uitstelt. Maar God kan zijn oordeel, wanneer Hij dat wil, ook wèl uitstellen. Waarom Hij dat zou doen? Als God in het hier en nu over niets zou oordelen, zou je geloven dat Hij niet bestond. Als God in het hier en nu over alles zou oordelen, zou er niets meer voor het laatste oordeel bewaard blijven. Voor het laatste oordeel wordt een groot aantal zaken bewaard, maar over een paar dingen wordt er al in het hier en nu geoordeeld. Daarmee hoopt God te bereiken dat degenen van wie het oordeel wordt uitgesteld, bang worden en zich bekeren. Want God houdt er niet van om te veroordelen. Hij wil het liefst redden (Joh 12,47). Met de slechte mensen heeft Hij zoveel geduld omdat Hij hen tot goede mensen wil maken. Zo zegt de apostel dat de toorn van God zich over alle ongeloof zal openbaren (Rom 1,18), en dat God ieder mens naar zijn daden zal belonen (Rom 2,6). En als de mens zich daar niets van aantrekt, spreekt hij hem op verwijtende toon toe: “Veracht u zijn rijkdom aan goedheid en lankmoedigheid soms?” (Rom 2,4) Hij is goed voor u, want Hij is lankmoedig, Hij benadert u vol geduld, Hij stelt uw zaak uit in plaats van u te laten vallen, en ú veracht Hem. Sterker nog, u denkt dat er geen oordeel van God bestaat, omdat u niet weet dat het geduld van God u tot inkeer wil brengen Rom 2,4). Maar doordat u zo hard bent, maakt u dat de voorraad straf waartoe God u veroordeelt op de dag dat Hij zijn rechtvaardig vonnis uitspreekt en uitvoert, alleen maar groter wordt (Rom 2,5). God zal ieder mens belonen naar zijn daden (Rom 2,6).
Uit: een nog te publiceren vertaling van het Augustijns Instituut
4 december 2011 - 2e zondag van de advent bij Mc 1,1-8
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 2,69-73
De heilige Matteüs en de heilige Marcus hebben Johannes de Doper als een profeet kenbaar willen maken met zijn kleding, gordel en voedsel: Johannes droeg een kleed van kameelhaar en een leren gordel om zijn middel. Hij at sprinkhanen en wilde honing (Mc 1,6). De voorloper van Christus duldde namelijk niet dat de vacht van onreine dieren verloren ging en gaf zo al met zijn kleding aan dat de komst van Christus aanstaande was. Christus zou de zonden van het onreine heidendom op zich nemen: zonden die lijken op een dier in het wild en doortrokken zijn van vuil naar gelang van onze wanstalige vergrijpen. Hij zou pas, om zo te zeggen, dat kleed van ons vlees afleggen op het overwinningsteken van het kruis.
Wat wil de leren gordel die Johannes om zijn middel droeg, anders zeggen dan dat tot dan toe het vlees de geest gewoonlijk tot last was geweest. Sinds de komst van de Heer diende het vlees niet als hinderlijke bagage maar juist als band die helpt dragen. Wij hebben volgens David onze citers aan de wilgen gehangen (Ps 136 (137),2), en wij stellen volgens Paulus geen vertrouwen in het vlees en toch weer wel in het lichaam (Fil 3,3): geen vertrouwen namelijk in de lusten ervan, maar wel in het lijden ervan. Want de vurigheid van geest (Rom 12,11) is krachtdadig en wij omgorden ons tot het volledige onderhouden van de geboden uit de hemel. Daarop blijven we met geestelijke aandacht gespitst, niet gehinderd door ons lichaam en door alles wat daarmee samenhangt.
Ook het voedsel van de profeet Johannes duidt op zijn ambt en kondigt een geheim aan. Wat toch is zo zinledig voor een mens in zijn ambt als het opzoeken van sprinkhanen maar wat is zo vol zin voor het geheim van een profetisch optreden? Sprinkhanen zijn schadelijk voor de oogst, nutteloos voor gebruik, schichtig bij aanraken, onberekenbaar in hun sprongen en maken met de snuit hun sjirpende geluid. Hoe meer ze dat doen, des te beter kan men er de heidenen mee in verband brengen: ze arbeidden zonder resultaat, werkten zonder opbrengst, hadden nauwelijks betekenis, lieten zonder woorden hun klachten en klagen horen en kenden niet het levende Woord. Dat volk nu is voedsel voor profeten, want hoe talrijker mensen samenstromen, des te meer effect sorteert de mond van de profeet.
Ook de genade van de kerk heeft een voorafbeeling: wilde honing. Die wordt niet gevonden in de bijenkorf van de wet door de groeikracht van het joodse volk, maar ligt door het dwalen van de heidenen overal verspreid in de velden en onder het gebladerte van het woud volgens het Schriftwoord: "Wij vonden de ark in de velden van het woud." (Ps 131 (132),6) Johannes at de wilde honing om daarmee aan te kondigen dat de volken verzadigd moesten worden met honing uit de rots zoals geschreven staat: "Uit de rots verzadigde Hij hen met honing." (Ps 80 (81),17) Zo hebben ook raven Elia in de woestijn gevoed met spijs die zij van verre aanvoerden, en met kostbaar water (1 K 17,6): dit moest erop wijzen dat heidenvolken, overtrokken met de zwarte doodskleur van hun misdadig gedrag, voorheen voedsel zochten tussen riekende lijken maar nu zichzelf, als uit het buitenland gehaald voedsel, de profeten zouden aanbieden. Want het voedsel van de profeten is het volvoeren van Gods wil zoals de Heer zelf heeft verklaard toen Hij zei: "Mijn voedsel is de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft." (Joh 4,34)
Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 123-125.
11 december - 3e zondag advent bij Joh 1,6-8 en 19-28
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 4,7
Ze vroegen hem: "Hoe zit het dan? Bent u Elia?" "Nee", antwoordde hij. En ze vroegen hem: "Bent u dan de profeet?" "Nee," antwoordde hij. "Maar wie bent u dan?" drongen ze aan, "We moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wie zegt u zelf dat u bent?" Hij zei: "Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn." (Joh 1,22-23) Dat heeft Jesaja gezegd. In Johannes is die profetie vervuld: “Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn." (Js 40,3) Wat roept hij? "Maak recht de weg van de Heer, maak recht de paden voor onze God!" Lijkt het u niet de taak van een heraut om te roepen: "Uit de weg, maak ruimte"? Alleen roept een heraut: "Uit de weg,” maar Johannes zegt: "Kom!" Een heraut duwt de mensen weg van de rechter. Johannes roept ze tot de rechter. Of liever: Johannes roept ze naar de nederige Jezus om te voorkomen dat ze zullen ervaren wie Hij is als verheven rechter. "Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer - zoals de profeet Jesaja gezegd heeft." Hij zegt niet dat hij Johannes is, Elia of de profeet. Maar hij zegt: "Ik word genoemd de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer." Ik ben deze profetie zelf.
Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevanglie 1-23; - Budel : Damon 2010, p. 108-109
18 december - 4e zondag van de advent bij Lc 1,26-38
uit Ambrosius uitleg van het Lucasevangelie 2,1
De goddelijke geheimen blijven weliswaar geheimen en volgens het profetenwoord kan een mens het raadsbesluit van God niet gemakkelijk begrijpen (Js 40,13). Maar toch kunnen wij uit de overige daden en voorschriften van de Heer onze Heiland opmaken dat ook het raadsbesluit om een vrouw die verloofd was, uit te kiezen tot moeder van de Heer, heel nauwkeurig was afgewogen.
Waarom nu is zij niet vóór haar verloving zwanger geworden? Wellicht omdat men anders zou zeggen dat het door overspel gekomen was. De Schrift heeft duidelijk twee dingen over haar gesteld: zij was verloofd en zij was maagd. Maagd, om haar af te zonderen van elke omgang met een man; verloofd, om niet de kwade naam te krijgen dat haar maagdelijkheid geschonden was, en daarvan het brandmerk te dragen, nu zij in verwachting van haar kindje het bewijs van de ontering scheen te leveren. De Heer verkoos dat men liever zou twijfelen over zijn afkomst dan over de reinheid van zijn moeder. Hij wist namelijk hoe fijngevoelig maagdelijke schroom was en hoe kwetsbaar de goede naam van zuiverheid. Hij vond dat het bewijs van zijn eigen goddelijke afkomst niet mocht worden versterkt door ten onrechte zijn moeder verdacht te maken. Zo blijft de maagdelijkheid van de heilige Maria onaangetast: haar zuiverheid houdt haar ongerept, geruchten kunnen haar niet schaden. Heiligen dienen namelijk ook goed aangeschreven te staan bij wie niet tot de gemeente behoren (1 Tim 3,7). En het geeft geen pas dat slecht bekendstaande meisjes zich zouden vrijpleiten met de verontschuldiging dat ook de moeder van de Heer een slechte naam scheen te hebben gehad.
Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 89
Top
Kerstmis
25 december - kerstnacht bij Lc 2,1-14
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 2,36-37
Nu wij over de geboorte van de Heiland gaan spreken is het, dachten wij, niet misplaatst de vraag op te werpen naar de tijdsomstandigheden waarin hij ter wereld kwam. Wat heeft nu de aangifte van wereldse gegevens te maken met de geboorte van de Heer? Ook dat is een goddelijk mysterie. Onder het uiterlijk van de wereldse aangifte voltrekt zich er een op geestelijk vlak, niet voor de aardse maar voor de hemelse vorst bestemd. Deze aangifte van het geloof registreert het innerlijk leven van de mensen. Nu de oude heffing in de synagoge is afgeschaft, wordt er een nieuwe voor de kerk voorbereid: niet om dwangsommen op te eisen maar om die af te schaffen. ... Hier worden geen landerijen opgemeten, maar zielen en harten gepeild. Hier worden geen grenzen vastgesteld maar vooruitgeschoven. Hier maakt men geen onderscheid tussen oud en jong, maar wordt iedereen bijgeschreven. Niemand is immers van deze heffing vrijgesteld, omdat mensen van alle leeftijden schatplichtig zijn aan Christus ...
Bij deze aangifte hoeft u niets te vrezen dat schrik aanjaagt, niets dat harteloos aandoet, niets dat ongelukkig maakt. Deze aanslag ondertekent iedereen alleen met het geloof. Wilt u weten hoe de belastingdienaren van Christus zijn? Zij krijgen de opdracht de vermogens op te nemen zonder stok en terreur, het volk te winnen met welwillendheid, het zwaard in de schede te steken en geen goud te bezitten (Vgl. Mt 10,9-10, Mc 6,8-9 en Lc 9,3). Met zulke belastingdienaren is de wereld gewonnen. Kortom, de plicht om zich te melden gold de hele wereld. Daaruit kunt u opmaken dat deze aangifte niet van Augustus maar van Christus uitging.
Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 107-108
25 december - kerstdag bij Joh 1,1-18
uit Augustinus' sermo 118,2
Laat God de ruimte om voort te brengen wat eeuwig is. Alstublieft, luister goed over wie we het hebben. ... We hebben het over God. We belijden en geloven dat de Zoon even eeuwig is als de Vader. "Maar," zeggen ze, "als mensen kinderen krijgen, is de eerste generatie ouder dan de tweede generatie." Ja, dat is zo: bij de mensen is de eerste generatie ouder dan de tweede. Maar het kind gaat zijn vader in kracht evenaren. En dat komt natuurlijk omdat de een opgroeit en de ander ouder wordt. Als de vader stil stond in de tijd en het kind hem al groeiend zou inhalen, dan zou u op een bepaald moment kunnen vaststellen dat ze even oud waren. Goed, ik geef u een voorbeeld om het te kunnen begrijpen. Het vuur brengt een gloed voort die even oud is als het vuur zelf. Bij de mensen vindt u alleen maar kinderen die jonger zijn dan hun ouders; ze zijn nooit even oud. Maar zoals gezegd, ik geef u een voorbeeld: de gloed die even oud is als het vuur, zijn vader. Het vuur brengt namelijk gloed voort en bestaat nooit zonder gloed. Als u dan inziet dat de gloed even oud is als het vuur, sta God dan een even eeuwige zoon toe. Als u het begrijpt: wees blij. Als u het niet begrijpt: geloof! Want het woord van de profeet kan niet ongedaan worden gemaakt: "Als u het niet gelooft, zult u het niet begrijpen." (Js 7,9 LXX).
Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het Johannesevangelie; - Budel : Damon 2007, p. 59
26 december - gedachtenis H. Stefanus, eerste martelaar,
bij Hnd 6,8-10 en 7,54-60 uit Augustinus' sermo 314,1
Gisteren vierden wij de geboortedag van de Heer. Vandaag vieren we de geboortedag van zijn dienaar. Maar als geboortedag van de Heer vierden wij de dag waarop Hij geboren wilde worden. Als geboortedag van zijn dienaar vieren wij de dag waarop hij de overwinningskrans ontving. Als geboortedag van de Heer vierden wij de dag waarop Hij het kleed van ons vlees heeft aangenomen. Als geboortedag van zijn dienaar vieren wij de dag waarop hij het kleed van zijn lichaam heeft afgelegd. Op de geboortedag van de Heer vierden wij dat Hij aan ons gelijk is geworden. Op de geboortedag van zijn dienaar vieren wij dat hij de naaste van Christus is geworden.Want zoals Christus zich door zijn geboorte met Stefanus verbond, zo heeft Stefanus zich door zijn dood met Christus verbonden.
Maar van onze Heer Jezus Christus gedenkt de kerk in twee plechtige vieringen de dag van zijn geboorte en die van zijn lijden en dood, omdat beide genezing brengen. Want Hij is geboren om ons opnieuw geboren te laten worden en Hij is gestorven om ons eeuwig te laten leven. De martelaren traden echter bij hun geboorte aan voor een hachelijke strijd, gebukt als zij gingen onder de last van de erfzonde. Maar bij hun dood gingen ze over tot onaantastbaar geluk en lieten ze alle zonde achter zich. Als de beloning van het komend geluk hen niet had gesterkt toen ze overgeleverd waren aan de vervolging, hoe hadden ze dan die terechtstelling met alle folteringen doorstaan?
Als de heilige Stefanus, blootgesteld aan een regen van stenen, niet had gedacht aan de toekomstige beloning, hoe zou hij dan die hagelbui hebben doorstaan? Maar hij droeg in zijn hart het gebod van Hem die hij aanwezig zag in de hemel. Tot Hem opgetild door vurige liefde verlangde hij zo snel mogelijk dit lichaam te verlaten en omhoog te vliegen naar Hem. Hij kende ook geen vrees meer voor de dood, want hij zag Christus levend, ook al wist hij dat Hij voor hem was gestorven. Daarom haastte hij zich ook zelf voor Hem te sterven om met Hem te leven.
Want wat de heilige martelaar Stefanus zag, weet u zonder enige twijfel uit zijn woorden die u geregeld hoort uit de Handelingen van de Apostelen. Hij zei: "Ik zie de hemel geopend en Christus, die aan Gods rechterhand staat." (Hnd 7,56) Hij zag Jezus staan en daarom bleef hij ook zelf staan en viel hij niet. Want Hij die daar stond in de hoogte en die van boven neerzag op hem die beneden strijd leverde, gaf zijn soldaat onoverwinnelijke kracht, zodat hij niet zou vallen.
Hij zei: "Ik zie de hemel geopend." Gelukkig de man voor wie de hemel openstond.
Uit een nog ongepubliceerde vertaling van het Augustijns Instituut
Top
1 januari - octaafdag van kerstmis bij Lc 2,16-21
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 2,53
Laat die herders u niet te gewoon lijken. Ja, zo is het: hoe geringer in menselijke wijsheid, des te kostbaarder voor het geloof. De Heer heeft geen gymnasia met rijen geleerden bezocht, maar Hij ging naar het eenvoudige volk omdat dat zijn woorden niet kon opsieren of verfraaien. Er wordt immers eenvoud gevraagd en niet verlangd carrière te maken. U moet niet denken dat u de woorden van zulke profeten mag versmaden. Door herders krijgt zelfs Maria gegevens die haar geloof verhelderen. Door herders komt er volk bijeen om God te eren: de mensen stonden verbaasd over wat hun door herders werd gezegd. (Lc 2,18)
Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 116
8 januari - openbaring van de Heer bij Mt 2,1-12
uit Augustinus' sermo 201,1
Nog maar een paar dagen geleden vierden wij de geboortedag van de Heer. Vandaag moeten wij niet minder plechtig zijn openbaring aan de heidenen vieren. Op deze dag namelijk is de Heer voor het eerst aan hen geopenbaard. Op zijn geboortedag al kregen de joodse herders de pasgeborene te zien, vandaag aanbidden de magiërs uit het oosten Hem. De pasgeborene is immers de hoeksteen, waar twee muren in vrede samenkomen, besnedenen en onbesnedenen; geen gering verschil in herkomst. Ze moesten met elkaar verbonden worden in Hem die onze vrede is geworden en die de twee één heeft gemaakt (Ef 2,14). Met de herders zijn de joden voorafgebeeld, met de magiërs de heidenen. Dat was het begin van wat in de hele wereld vrucht moest dragen en moest groeien. Laten wij deze twee dagen, die van de geboorte en die van de openbaring van onze Heer daarom van harte vieren in geestelijke vreugde.
De herders, joden, werden naar Hem gebracht door de boodschap van een engel; de magiërs, heidenen, door een ster die hun de weg wees. De ster bracht de astrologen met hun ijdele berekeningen en voorspellingen in de war, toen zij de sterrenaanbidders duidelijk maakte dat zij beter de Schepper van hemel en aarde konden aanbidden. Want Hij die bij zijn geboorte een nieuwe ster liet schijnen, ontnam bij zijn dood de zon van het oude bestel haar licht (Mt 27,45). Met het licht van de ster is het geloof begonnen, terwijl de duisternis een aanklacht vormt tegen het ongeloof.
Wat was dat voor een ster, die nooit eerder tussen de sterren was verschenen en die ook later niet aan het firmament bleef staan? Wat was die ster anders dan prachtige hemeltaal die de glorie van God moest verkondigen? (Ps 19,1) Die met ongewone schittering moest roepen over de ongewone maagdelijke bevalling. Later, toen de ster niet meer verscheen, moest daarvoor in de hele wereld het evangelie in de plaats komen. Wat vroegen de magiërs immers bij hun komst? "Waar is de pasgeboren koning van de joden?" (Mt 2,2) Wat betekent dat? Waren er in het verleden al niet zovelen als koning van de joden geboren? Waarom verlangden de magiërs er zo vurig naar om de koning van een vreemd volk te leren kennen en te aanbidden? "Omdat wij zijn ster in het oosten hebben gezien," zeiden ze, "en gekomen zijn om Hem onze hulde te brengen." (Mt 2,2) Zouden zij werkelijk met zoveel toewijding navraag doen en met zo'n diep gevoel van godsvrucht naar Hem verlangen, als zij in de koning van de joden niet Hem erkenden, die zelfs de koning der eeuwen is?
Uit: Aurelius Augustinus, Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 46
15 januari - 2de zondag door het jaar, bij Joh 1,35-42
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 7,10
Wat zoeken jullie?” “Rabbi,” zeiden ze tegen Hem - dat is in onze taal "meester"- heeft u ergens een verblijfplaats?” Hij zei: “Kom maar mee, dan zul je het zien.” Ze gingen met Hem mee en zagen waar Hij verbleef. En ze bleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur (Joh 1,38-39). Nu denken we toch niet dat de evangelist geen reden heeft gehad om ons te vertellen hoe laat het was? Het moet toch zo zijn dat hij op die plaats onze aandacht op iets heeft willen vestigen, ons er iets achter heeft willen laten zoeken? Het was het tiende uur. Het getal tien verwijst naar de wet omdat de wet in tien geboden is gegeven. Maar de tijd was gekomen dat de wet zou worden vervuld door de liefde, want de joden konden haar slechts vervullen door de vrees. Daarom zegt de Heer: “Ik ben niet gekomen om de wet af te schaffen maar om die tot vervulling te brengen.” (Mt 5,17) Terecht zijn die twee dus op het tiende uur achter Hem aan gegaan, afgaand op het getuigenis van de vriend van de bruidegom. En terecht hoorde Hij op het tiende uur: “Rabbi,” hetgeen betekent: “Meester, leraar.” Als de Heer zich nu op het tiende uur leraar hoorde noemen en het getal tien betrekking heeft op de wet, kan de leraar van de wet geen ander zijn dan Hij die de wet gegeven heeft. Laat niemand beweren dat de wetgever en de wetsleraar twee verschillende personen zijn. Hij, die de wet gegeven heeft, legt haar zelf uit. Hij is de leraar van zijn eigen wet en onderwijst er in. Barmhartigheid ligt op zijn lippen. Daarom geeft Hij een barmhartige uitleg van de wet zoals geschreven staat over de Wijsheid: “De wet en barmhartigheid liggen op haar lippen.” (Spr 31,26) Wees niet bang dat u de wet niet kunt vervullen, neem uw toevlucht tot de barmhartigheid. Als het u teveel is de wet te vervullen, maak dan gebruik van deze afspraak, deze overeenkomst, dit smeekschrift dat de hemelse advocaat voor u heeft opgesteld.
Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevanglie 1-23; - Budel : Damon 2010, p. 172-173
22 januari - 3de zondag door het jaar, bij Mc 1,14-20
uit Augustinus' sermo 250,1
De Heer Jezus koos wat voor de wereld zwak is, uit om het sterke te beschamen (1 Kor 1,27). Bij het bijeenbrengen van zijn kerk uit de gehele wereld, begon Hij niet bij keizers of senatoren, maar bij vissers. Zou bij het kiezen immers voorrang zijn gegeven aan mensen met een bepaalde positie, dan zouden die dat rustig aan zichzelf durven toeschrijven en niet aan de genade Gods. Dat geheime plan van God, dat plan van onze Verlosser, wordt door de apostel Paulus uit de doeken gedaan met de woorden: "Denk maar aan uw eigen roeping" - dit zijn de woorden van de apostel - "denk maar aan uw eigen roeping, broeders en zusters, dat er naar menselijke maatstaf niet velen geleerd waren, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst, maar God heeft wat voor de wereld zwak is, uitverkoren om het sterke te beschamen. De keuze van God viel op het geringe en onbeduidende deel, op wat niets is, om teniet te doen wat iets is, opdat geen mens tegenover God zou roemen op zichzelf." (1 Kor 1,26-29).
Ook de profeet Jesaja zegt dit: "Elk dal moet worden opgehoogd, elke berg en heuvel afgegraven, oneffen plekken moeten vlak gemaakt worden." (Js 40,4) Kortom, op dezelfde wijze hebben vandaag mensen van hoge en lage rang, geleerd en onontwikkeld, arm en rijk, zonder onderscheid toegang tot de genade van de Heer. Om die genade te ontvangen heeft de hoogmoed geen voorrang boven de nederigheid van iemand die niets weet, niets bezit of niets betekent (2 Kor 6,10).
En wat zei de Heer ook al weer tegen hen? "Kom, volg Mij en Ik zal u vissers van mensen maken." (Mc 1,17) Als die vissers ons niet waren voorgegaan, wie had ons dan gevangen? Nu is iemand die naar behoren weet uit te leggen waarover een visser heeft geschreven, een groot spreker.
Uit: Aurelius Augustinus, Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 165
29 januari - 4de zondag door het jaar, bij Mc 1,21-28
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 4,58-60
De Heer begint bij het kleinere om uit te komen bij het grotere. Ook mensen kunnen iemand van de duivel bevrijden, zij het dan wel door het woord van God. Maar gestorvenen bevel geven te verrijzen is uitsluitend voorbehouden aan Gods macht.
Het mag niemand bevreemden dat in dit evangelie staat dat de duivel als eerste de naam "Jezus van Nazaret" uitsprak (Mc 1,23). Want Christus kreeg zijn naam niet van de duivel, maar een engel had die uit de hemel naar de maagd meegebracht (Lc 1,31). De duivel is echter zo onbeschaamd om zich onder mensen de primeur van iets toe te eigenen en voor hen zogenaamd als iets nieuws mee te brengen. Zo wilde hij de schrik voor zijn macht er bij hen inprenten. Ook in Genesis was hij de eerste die tegenover de mens de naam "God" noemde, want u leest daar: "De duivel zei tegen de vrouw: Heeft God werkelijk gezegd dat u van geen enkele boom in de tuin mag eten?" (Gn 3,1) Op die manier werden man en vrouw door de duivel misleid en door Christus genezen.
Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 202-203
Top
5 februari - 5e zondag door het jaar, bij Mc 1,29-39
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 4,58
Het is op een sabbat dat de Heer zijn genezend werk begon (Mc 1,21). Dit betekent dat de nieuwe schepping daar een aanvang nam, waar de oude destijds ophield. Dat verder de Zoon van God niet onder de wet maar boven de wet stond, wees er van het begin op dat de wet niet werd afgebroken maar vervuld (Mt 5,17). De wereld is immers niet door de wet maar door het Woord geschapen zoals wij lezen: "Door zijn Woord is de hemel gemaakt." (Ps 33,6) De wet wordt dus niet afgebroken maar vervuld om de mens die al bijna ten onder ging, zich te laten vernieuwen. Daarom zegt Paulus: "Leg de oude mens met zijn gedragingen af, bekleed u met de nieuwe mens, die geschapen is naar Christus." (Kol 3,9-10) Terecht begint de Heer op de sabbat, om te laten zien dat Hij in eigen persoon de Schepper is, om nieuwe werken in de bestaande in te vlechten en zo met zijn eigenhandig begonnen bouwsel verder te gaan. Zo begint een bouwheer als hij een huis gaat restaureren, niet met oude gedeelten af te breken bij de funderingen maar bij het dak. Zodoende gaat hij eerst daar aan de slag waar hij destijds was opgehouden.
Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 202-203
12 februari - 6e zondag door het jaar bij Mc 1,40-45
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 5,5
Niet alleen de ene man wordt van melaatsheid gereinigd, maar alle mensen tegen wie wordt gezegd: "U bent al gezuiverd door het woord dat Ik u heb verkondigd." (Joh 15,3) Als dus het geneesmiddel tegen melaatsheid het Woord is, is onverschillig blijven tegenover het Woord in elk geval geestelijke melaatsheid. Maar deze mag niet overgaan op de geneesheer en daarom moet iedereen naar het voorbeeld van de nederige Heer grootspraak vermijden. Waarom wordt immers aanbevolen er met niemand over te praten dan om ons te leren onze weldaden niet overal bekend te maken maar verborgen te houden? (Mc 1,44) Dan kunnen wij niet alleen afzien van geldelijke vergoeding maar ook van dankbetuigingen. Of misschien gebood Jezus het stil te houden vanwege zijn voorkeur voor mensen die Hem meer zijn gaan vertrouwen uit spontaan geloof dan door hoop op weldaden.
Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 214
19 februari - 7e zondag door het jaar bij Mc 2,1-12
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 5,10
En zie, er kwamen enige mannen aan met op een draagbed iemand die verlamd was. Zij zochten een mogelijkheid om hem binnen te brengen en voor Jezus neer te leggen. Maar omdat ze vanwege de menigte geen kans zagen hem binnen te brengen, gingen ze het dak op en lieten hem met bed en al tussen de tegels door neer in de kring vóór Jezus. (Lc 5,18-19; vgl. Mc 2,3-4) De genezing van deze verlamde man is geen overbodige vermelding en evenmin van beperkte betekenis, want er staat in het vers ervoor dat de Heer er zelfs voor gebeden heeft, natuurlijk niet om er steun voor te krijgen, maar om een voorbeeld te geven. Hij bood ons immers een model ter navolging, Hij was niet uit op kunstgrepen om het gewenste te verkrijgen. De beterschap van de verlamde man in kwestie staat beschreven tussen de genezingen van de overige zieken, en wel toen er ook wetsleraren bijeen waren uit alle plaatsen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem (Lc 5,19).
Allereerst moet iedere zieke, zoals ik al eerder heb gezegd, voorsprekers inschakelen om door gebed redding voor hem te verkrijgen, want door hen moet het ontwrichte gebeente van ons leven en de kreupele voeten van ons doen en laten dankzij de helende kracht van het hemelse Woord worden hersteld. Er mag dus geen gebrek zijn aan geestelijke raadgevers om denken en willen van de mens, hoe ook door zwakheid van het lichaam aan de buitenkant verlamd, op te richten tot hogere dingen. Met het hulpbetoon van die voorsprekers kan men zich ook weer moeiteloos omhoog en omlaag bewegen, zich vóór Jezus laten plaatsen en het verdienen om door de ogen van de Heer te worden aangezien. Naar nederigheid immers ziet de Heer om, want Hij heeft omgezien naar zijn vernederde dienares (Lc 1,48).
Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 216
Top
Veertigdagentijd
22 februari - aswoensdag bij Mt 6,1-6 en 16-18
uit Augustinus' verhandeling over de bergrede 2,42
Wat is de betekenis van Jezus' uitspraak: “Als u vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, opdat het bij de mensen niet opvalt dat u vast.” (Mt 6,18) Het lijkt immers niet terecht dat iemand ons voorschrijft om, terwijl we de gewoonte hebben ons gezicht elke dag te wassen, bij het vasten ook nog ons hoofd te zalven. Als iedereen erkent dat dat hoogst ongepast is, moet men het gebod om zijn hoofd te zalven en zijn gezicht te wassen laten slaan op het innerlijk van een mens. Het hoofd zalven slaat dan op de blijdschap, het gezicht wassen op de zuiverheid. Iemand die zich innerlijk verheugt, geestelijk en verstandelijk, zalft zijn hoofd. ...
Iemand die vast moet daar dus een geestelijk genoegen aan beleven, en wel doordat hij zich door het vasten afkeert van werelds genot en zo ondergeschikt is aan Christus, die volgens dit voorschrift verlangt dat wie vast zijn hoofd heeft gezalfd. Zo zal hij ook zijn gezicht wassen, met andere woorden: zijn hart zuiveren. Met een gezuiverd hart zal hij God zien, niet gehinderd door een sluier van ziekte die hij opgelopen heeft in het vuil, maar kerngezond en krachtig omdat hij zuiver en oprecht is. “Was u, reinig u!” staat er geschreven. “Doe weg de misdaden uit uw gedachten; uit mijn ogen ermee!” (Js 1,16) Dat vuil moet dus van ons gezicht worden gewassen: het kwetst de ogen van God. Want door met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen zullen wij herschapen worden zodat wij op Hem gaan gelijken (2 Kor 3,18).
Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p.154-155 (= serm.dom.m. 2,42)
26 februari - 1e zondag van de veertigdagentijd (bij Mc 1,12-15)
uit Augustinus' sermo 208,1
De tijd is weer aangebroken om u, geliefden in de Heer, zoals ieder jaar aan te vuren en aan te sporen. Toegegeven, ook al zeg ík helemaal niets, deze tijd alleen al is voldoende om u aan te vuren en aan te sporen om u vuriger en geestdriftiger dan anders te wijden aan het vasten, het bidden en het geven van aalmoezen. Mijn preek zal u daarbij nog helpen. Dan kan uw geest ook door het klaroengeschal van mijn stem zijn krachten bundelen om zich teweer te stellen tegen de verlangens van het vlees. Laat uw vasten dus zonder ruzie zijn, zonder getier en bloedvergieten. Zo kunnen ook degenen die zich onder uw juk bevinden, de ontspanning ervaren, die een veilig gevoel geeft en weldadig is. Zo kan men een ongenadige strengheid beteugelen zonder de heilzame tucht te laten varen.
Maar wanneer u zich onthoudt van bepaalde spijzen om uw lichaam te bedwingen - ook al gaat het om eten dat is toegestaan - bedenk dan dat voor de reinen alles rein is (Hnd 10,15 en 11,9). U hoeft niets als onrein te beschouwen, behalve dat wat door onbetrouwbaarheid bezoedeld is. De apostel Paulus zegt immers: "Voor hen die besmet en onbetrouwbaar zijn, is niets rein." (Tit 1,15) Maar wanneer gelovigen hun lichaam volkomen dienstbaar maken, komt al wat op het lichamelijk genot in mindering wordt gebracht, het geestelijke welzijn ten goede. En daarom moet u ervoor waken er niet op uit te zijn de ene dure spijs door de andere te vervangen, of - erger nog - op zoek te gaan naar spijzen zonder vlees, maar dan duurdere. Wanneer u immers het lichaam tuchtigt en volkomen dienstbaar maakt, dient u het genot te matigen, niet te veranderen. Wat maakt het nu uit bij wat voor eten u het verwijt toegespeeld krijgt van onmatige begeerte? De begeerte van de Israëlieten is in geen geval alleen om het eten van vlees veroordeeld door de stem van God (Nu 11,33). Het ging toch ook om bepaalde vruchten van boom en veld. En Esau verloor zijn eerstgeboorterecht niet om een varkenspoot, maar om linzensoep (Gn 25,30). Om maar te zwijgen over wat de Heer, toen Hij honger had, de verleider antwoordde, met name over het brood (Dt 8,3). De Heer was zeker niet zijn eigen vlees aan het temmen, alsof het opstandig zou zijn. Wel probeerde Hij ons in zijn barmhartigheid te laten zien wat wij bij dergelijke verleidingen moeten antwoorden.
Daarom, veelgeliefden, van welk voedsel u zich ook wilt onthouden, denk eraan dat u uw voornemen uitvoert met vrome bescheidenheid, en dat u niet op grond van een dwalende goddeloosheid veroordeelt wat God heeft geschapen. Daar komt bij, voor wie van u gebonden is aan een echtgenoot of echtgenote, sla vooral in deze tijd de vermaningen van de apostel Paulus niet in de wind. Sta elkaar toe voor een bepaalde tijd in onthouding te leven om u aan het gebed te wijden ( 1 Kor 7,5). Deze onthouding kan ook op andere dagen voordeel hebben, maar men zou zich moeten schamen als men die nu niet zou kunnen opbrengen. Naar mijn mening hoeft het geen al te grote opgave te zijn, dat gehuwden jaarlijks op bijzondere dagen datgene doen, wat weduwen hebben beloofd vanaf een bepaalde periode van hun leven, en wat gewijde maagden voor heel hun leven op zich hebben genomen.
Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 60
4 maart - 2e zondag van de veertigdagentijd bij Mc 9,2-10
uit Augustinus' sermo 79
Toen uit het heilig evangelie werd gelezen, hoorden we over het grote visioen op de berg, waar de Heer Jezus zichzelf liet zien aan drie van zijn leerlingen: Petrus, Jacobus en Johannes. Zijn gelaat begon te stralen als de zon (Mt 17,2). Dat wijst op het heldere licht van het evangelie. Zijn kleed werd wit als sneeuw (Mc 9,3 en Mt 17,2). Dat wijst op de zuivering van de kerk. Tegen de kerk werd immers bij monde van de profeet Jesaja gezegd: "Al waren uw zonden als scharlaken, Ik zal ze zo wit maken als sneeuw." (Js 1,18)
Elia en Mozes spraken met de Heer (Mc 9,4): de wet en de profeten getuigen van de genade van het evangelie. Mozes vertegenwoordigt de wet, Elia de profeten. (...) Petrus vond dat er drie tenten moesten komen, een voor Mozes, een voor Elia en een voor Christus. De eenzaamheid van de berg beviel hem wel. De gejaagdheid van het menselijk bestaan, het hing hem de keel uit. Maar die drie tenten, waarom stelt hij drie tenten voor? Het lijkt erop dat hij nog niet wist dat de wet, de profeten en het evangelie een eenheid vormen. Uiteindelijk werd hij door een wolk op zijn vergissing gewezen. "Nog terwijl hij deze woorden sprak," staat er, "overschaduwde hen een lichtende wolk." (Mc 9,7) Zie je wel! Die wolk vormt één tent. Waarom wil jij er dan drie, Petrus?
En er klonk een stem uit de wolk: "Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind. Luister naar Hem." (Mc 9,7) Elia spreekt ook, maar luisteren moet u naar Jezus. Mozes spreekt ook, maar luisteren moet u naar Jezus. De profeten spreken, de wet spreekt, maar luisteren moet u naar Jezus. Hij is de stem van de wet en de tong van de profeten. In hen klonk Hij. Op een moment dat Hijzelf verkoos, verscheen Hij in eigen persoon. Luister naar Hem. Laten we naar Hem luisteren, ja. U hebt het evangelie horen spreken. Denk eraan, dát was de wolk waaruit een stem voor ons klonk. Laten we luisteren naar Hem. Laten we doen wat Hij zegt, en hopen op wat Hij belooft.
Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs; - Budel : Damon 2011 (2de dr), p. 420-421
11 maart - 3e zondag van de veertigdagentijd bij Joh 2,13-25
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 10,6
Als we op zoek willen gaan naar het geheim dat in de feiten ligt besloten, wie zijn dan degenen die runderen verkopen? En degenen die de schapen verkopen en de duiven? Dat zijn zij die hun eigen belang zoeken in de kerk, niet het belang van Jezus Christus (Fil 2,21). Ze beschouwen alles als koopwaar, maar willen niet worden vrijgekocht. Ze willen niet gekocht worden, maar ze willen wel verkopen. Het zou goed voor hen zijn als ze met het bloed van Christus werden vrijgekocht zodat ze tot de vrede van Christus kunnen komen. Want wat voor zin heeft het om in deze wereld te verwerven wat tijdelijk en vergankelijk is: geld, genot voor maag en mond of aanzien ontleend aan menselijk eerbetoon? Dat is toch allemaal rook en wind? Dat gaat toch allemaal voorbij, in een ommezien? En wee hun die zich hechten aan wat voorbijgaat, want zij gaan tegelijk voorbij. Is dat alles niet een snelstromende rivier die zich in zee stort? Wee degene die daarin valt, want hij wordt meegesleurd naar zee.
Wij moeten dus al onze gevoelens verre houden van zulke begeerten. Mijn broeders en zusters, wie dat soort dingen zoekt, dát is een verkoper. Jazeker, ook die Simon wilde de Heilige Geest kopen, omdat hij de Heilige Geest wilde doorverkopen (Hnd 8,18-19) en hij dacht dat de apostelen net zulke handelaren waren als degenen die door de Heer met een zweep uit de tempel werden gejaagd. Hij was namelijk zelf zo iemand. Hij wilde kopen wat hij kon doorverkopen. Hij behoorde tot de verkopers van de duiven. De Heilige Geest is immers verschenen in de gedaante van een duif (Mc 1,10). En wie verkopen er nu duiven, broeders en zusters, wie anders dan degenen die zeggen: “Wij bieden u de Heilige Geest”? Waarom beweren zij dat toch en welke prijs vragen ze voor hun koopwaar? Die prijs is eerbetoon. Ze ontvangen vergankelijke erezetels als prijs en zo kan iedereen zien dat ze duiven verkopen. Laten ze maar oppassen dat ze niet een pak slaag met de touwen krijgen! De Duif is niet te koop. Hij wordt gratis gegeven omdat hij “genade” wordt genoemd.
Mijn broeders en zusters, deze mensen gaan net zo te werk als die verkopers, die marktkooplui die je wel ziet: ieder prijst aan wat hij te koop heeft. Wat hebben ze allemaal niet in de aanbieding? (...)Gaat er dus iemand de verkopers langs om een duif te kopen, dan prijst ieder zijn uitgestalde koopwaar aan. Laat hij zich in zijn hart afwenden van al die verkopers en laat hij komen waar de Duif gratis is te krijgen.
Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen 1-23 over het Johannesevangelie; - Budel : Damon 2010, p. 226-227
18 maart - 4e zondag van de veertigdagentijd bij Joh 3,14-21
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevanglie 12,11
Waar staan die bijtende slangen voor? Voor de zonden van het sterfelijke vlees. Waar staat die opgerichte slang voor? Voor de dood van de Heer aan het kruis. Omdat de dood immers door een slang is ontstaan, is de dood ook door de afbeelding van een slang voorgesteld. De beet van die slang bracht de dood, de dood van de Heer brengt leven. Men vestigt zijn blik op de slang om te bereiken dat de slang machteloos wordt. Wat wil dat zeggen? Men vestigt zijn blik op de slang om te bereiken dat de dood machteloos wordt. Maar op wiens dood vestigt men dan zijn blik? Op de dood van het leven, als je tenminste kunt spreken van de dood van het leven. Ja, omdat je dat kunt zeggen is het te meer een wonderlijke uitspraak. Of mag soms niet worden gezegd wat er moest gebeuren? Zou ik aarzelen om onder woorden te brengen wat de Heer voor mij heeft willen doen? Is Christus soms niet het leven? En toch hangt Hij aan het kruis. Is Christus soms niet het leven? En toch is Hij gestorven. Maar in de dood van Christus is de dood gestorven, omdat het leven door te sterven de dood heeft omgebracht: de volheid van het leven heeft de dood opgeslokt, de dood is verslonden in het lichaam van Christus (1 Kor 15,54). Zo zullen ook wij het bij de opstanding zeggen wanneer we eindelijk in triomf zingen: “Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?” ( 1 Kor 15,55)
Maar voor het zover is moeten wij, broeders en zusters, opzien naar de gekruisigde Christus om van de zonde te worden genezen. Want de Schrift zegt: “Zoals Mozes in de woestijn de slang heeft omhooggeheven (Nu 21,8-9), zo moet ook de mensenzoon omhoog worden geheven, zodat iedereen die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.” (joh 3,14-15) Zoals de mensen die hun blik vestigden op die slang, niet stierven aan de slangenbeet, zo worden zij die in geloof hun blik vestigen op de dood van Christus, genezen van de beten van de zonden. Die mensen van destijds werden echter van de dood gered om nog een beperkte tijd te kunnen leven, maar hier zegt de Heer: zodat zij eeuwig leven hebben. Dat is namelijk het verschil tussen het beeld en de werkelijkheid. Het beeld schonk leven voor een beperkte tijd maar de werkelijkheid waarvan dat het beeld was, schenkt eeuwig leven.
Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen 1-23 over het Johannesevangelie; - Budel : Damon 2010, p. 266-267
25 maart - 5e zondag van de veertigdagentijd bij Joh 12,20-33
uit Augustinus' sermo 368,1
Broeders en zusters, toen zojuist het evangelie werd voorgelezen hoorden wij de Heer zeggen: "Wie zijn ziel liefheeft, verliest hem."(Joh 12,25) Deze uitspraak lijkt in tegenspraak met die van de apostel Paulus: "Niemand heeft ooit zijn eigen lichaam gehaat."(Ef 5,29) Als niemand ooit zijn eigen lichaam heeft gehaat, dan heeft al helemaal niemand ooit zijn eigen ziel gehaat. De ziel is toch veel belangrijker dan het lichaam. De ziel is de bewoner, het lichaam de woning. De ziel is de meester, het lichaam de knecht. De ziel is de leider, het lichaam de ondergeschikte. Als niemand ooit zijn eigen lichaam heeft gehaat, wie kan dan ooit zijn eigen ziel gehaat hebben?
Daarom is het geen geringe kwestie die de evangelielezing van vandaag ons heeft voorgelegd. We hoorden: "Wie zijn ziel liefheeft, verliest hem." (Joh 12,25) Het is gevaarlijk om van je ziel te houden: dan gaat hij verloren. Als het gevaarlijk is om van je ziel te houden, omdat die dan verloren kan gaan, moet je er dus niet van houden. Je wilt toch niet dat hij verloren gaat? Maar ja, als je niet wilt dat hij verloren gaat, houd je ervan! Hoe zit dat? Als ik van mijn ziel houd, verlies ik hem. Ik moet er dus niet van houden om hem niet te verliezen. Omdat ik bang ben hem te verliezen houd ik er niet van. Maar als ik iets niet wil verliezen, dan houd ik daar toch van?
Op een andere plaats zegt de Heer: "Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?" (Mt 16,26) Kijk, je moet zo van je ziel houden dat je die boven het winnen van de hele wereld stelt. Van de andere kant, wie van zijn ziel houdt moet uitkijken, want als hij ervan houdt verliest hij hem. Je wilt je ziel niet verliezen? Dan mag je er niet van houden. Maar als je hem niet wilt verliezen dan móet je er wel van houden.
Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het Johannesevangelie; - Budel : Damon, 2011, p. 343
Top
Pasen
Top
Paastijd
Top
Door het jaar mei-juli
Top
Door het jaar aug-sept
Top
Door het jaar okt-nov
Top